zondag 18 maart 2012

Hadewijch, Revolutionair en Mystica

Hadewijch leefde in de dertiende eeuw en kwam vermoedelijk uit Antwerpen. Over haar leven is niet veel bekend. Wel weten we dat ze leidsvrouwe was in een revolutionaire vrouwenbeweging - de begijnen- die in allerlei steden navolging kreeg. Er zijn aanwijzingen dat Hadewijch lange tijd woonde en werkte in Luik, waar in die tijd nog Diets de volkstaal was.

In verschillende steden, met name in de lage landen, staan vrouwen op die zich niet willen laten opsluiten in een opgelegd huwelijk of een klooster. Ze noemen zich begijnen en leggen zich, alleen of in kleine leefgemeenschappen, toe op sociaal werk, gebed en studie. Later zouden deze vrouwen onder kerkelijk (én dus mannelijk) toezicht worden gesteld: in aparte hofjes en met uitgeschreven leefregels. De begijnen zijn dan begijntjes geworden.

In de volkstaal
Hadwijch schreef in het Diets, de voorloper van onze taal. Ze verkoos die taal van het volk boven het Latijn, waarin ze een belangrijk deel van haar scholing had ontvangen.

"Er is niets dat ik niet in het Diets uitdrukken kan", schreef ze eens laconiek.

Ook al ogen de gedichten en brieven die zij ons nagelaten heeft als gedragen poëzie, haar intenties zijn nuchter als de volkstaal die ze gebruikte. Ze zijn ook voor ons nog altijd goed te begrijpen en in te voelen.

"Wat nou, je eenvoudig neerleggen bij de suprematie van God. Is dat echt je bestemming? Ben je niet, als lichaam en geest, geschapen naar Zijn beeld en gelijkenis? Is dat niet iets om trots op te zijn? En zou God wel zitten te wachten op dwepers die zich zonder slag of stoot aan Zijn voeten werpen?"

Schrijfster en dichteres
Haar literaire meesterschap ligt in de verbinding van twee culturen: die van de rondtrekkende troubadours van het liefdeslied, en die van de religieuze poëzie.

De zangers van de wereld bezingen vooral de hoofse liefde. Daarin gaat het niet om de lichamelijke bekoringen van de geliefde, maar om het verlangen op afstand en om het langzaam opgaan in de geest van de ander.

Hadewijch neemt deze traditie op om te verhalen over haar liefdesrelatie met God. Ze gebruikt het woord minne om die liefdevolle God aan te duiden. Ze gebruikt de term minne overigens voor alle facetten van de liefde: voor de liefde zelf, of om haar gevoel voor de vriendinnen die ze begeleidt uit te drukken. Minne is verwant aan de woorden mens en het Engelse mind. De be-minde is iemand die als het ware aanwezig is in de her-inner-ing, in het bewustzijn van degene die van hem of haar houdt.

Hadewijchs mystieke leermeesters Willem van Saint Thierry en Bernardus van Clairvaux, gebruiken beelden uit het bijbelboek Hooglied om over God te spreken. Hadewijch gaat een stap verder: zij ziet zichzelf als bruid, ja zelfs als de minnares van God die liefde is. In een tijd waarin vrouwen nog wel eens als mislukte mannen worden gezien of als te dempen poelen van verderf, stelt zij zichzelf zelfbewust -fier- op als vrouw. Haar liefde tot God drukt ze lichamelijk uit. En zij beschouwt zichzelf daarbij op een vanzelfsprekende wijze als beeld van God.

De liefde centraal
Liefde maakt vrij en fier, stelt Hadewijch. Zelfbewust zouden wij zeggen. Dit heb je hard nodig om de momenten te doorstaan waarop je je alleen en afgescheiden voelt. Ze blijft overeind door de liefde productief te maken: door zelf een wezen van liefde te worden in de zorg voor anderen, vooral voor de kwetsbaren.

Mensenliefde schiet altijd tekort. Voor Hadewijch is dat echter geen reden om bij de pakken neer te zitten. Integendeel. Weten dat er van je gehouden wordt terwijl je tegelijkertijd weet dat je onvolkomenheden hebt, maakt het wonder van die liefde des te groter. Bovendien houdt het de begeerte naar de ander in stand. Want als je merkt dat je gedragen wordt door de liefde van een ander, wil je dat vaker meemaken. Je doet dat door je te oefenen in het accepteren van jezelf en door van jezelf te geven. Zo zijn de ghebreken voor Hadewijch van belang bij de ervaring van het ghebruken (genieten).

Dit evenwicht van geven en nemen komt echter niet vanzelf. Hadewijch beschrijft dat het verlangen naar de liefde van God zo overheersend kan worden, dat het koortsachtig en gekmakend wordt. Orewoet noemt zij dit verschijnsel. Want de zelfbewuste, vrije mens kan het niet verkroppen dat zij niet altijd en volledig aan de liefde van de Ander kan beantwoorden. Verzadiging en honger ineen, schrijft zij in een van haar gedichten, dat is het leen der vrije liefde.





Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen